Europese steden experimenteren met honderden klimaatoplossingen, van groene daken tot elektrische auto’s, allemaal in de hoop zich aan te passen aan de warmere wereld om ons heen. Maar ondanks steeds meer onderzoek naar deze oplossingen, hebben we nog steeds maar een vaag idee van wat er in de praktijk echt werkt. Dat blijkt uit een studie die vandaag is gepubliceerd in Environmental Research Letters, mede geschreven door onderzoekers van de Radboud Universiteit.
In de studie zijn meer dan 1600 artikelen over maatregelen voor klimaatmitigatie en -aanpassing in meer dan 1200 Europese steden onder de loep genomen. ‘We wilden achterhalen welke klimaatmaatregelen het beste werken in welk type stad, en wat steden van elkaar kunnen leren’, legt Natascha Wagner uit, een van de auteurs van de studie, hoogleraar Ontwikkelingseconomie aan de Radboud Universiteit en directeur van het Global Data Lab.
‘Wat werkt voor een grote, groeiende metropool in Spanje, werkt misschien niet voor een krimpende, oudere stad in Polen. Ze kunnen met heel andere problemen te maken hebben: Zuid-Europa kampt met extreem hoge temperaturen en waterschaarste, terwijl Oost-Europese steden vaker te maken hebben met overstromingen en zware industriële uitstoot’, voegt Olexiy Kyrychenko toe, universitair docent aan de Radboud Universiteit en medeauteur. ‘Door te kijken naar steden met vergelijkbare kenmerken in heel Europa, kunnen beleidsmakers beter begrijpen welke maatregelen kans van slagen hebben, omdat ze op vergelijkbare locaties al succesvol zijn.’
De onderzoekers realiseerden zich echter ook dat de studies die ze bekeken nogal versnipperd waren. Wagner: ‘De ene studie kijkt naar elektrische voertuigen in één specifieke stad, terwijl een andere misschien kijkt naar het vernieuwen van de infrastructuur op een andere, totaal andere locatie. Dat maakt het een stuk moeilijker om bredere patronen te herkennen en te leren van wat werkt.’
De meeste onderzoeken waren niet alleen versnipperd, maar ook gebaseerd op modellen en simulaties, in plaats van op observaties van resultaten in de praktijk. Wagner wijst erop dat die onderzoeken vaak maar beperkt inzicht geven in de effectiviteit van aanpassings- en mitigatiestrategieën: ‘ Sommige modellen gaan uit van situaties die in de echte wereld vrijwel onmogelijk zijn, zoals een onderzoek naar wat er zou gebeuren als de hele bevolking van een stad als Amsterdam ineens veganistisch zou gaan eten.’
Als we willen dat het klimaatbeleid effectiever wordt, hebben we observatiegegevens nodig, stellen de onderzoekers. ‘Veel onderzoeken schatten in wat er zou moeten gebeuren onder bepaalde aannames, maar we hebben veel minder analyses van wat er in de praktijk gebeurt. Om mogelijke veranderingen te begrijpen, hebben we bijvoorbeeld lokale gegevens nodig over gedrag, gezondheid, mobiliteit en milieuomstandigheden’, zegt Kyrychenko. Wagner voegt toe: ‘Wat we nu nodig hebben, vooral als reactie op de recente hittegolf, is het systematisch verzamelen van observatiegegevens in verschillende steden om te bepalen wat echt werkt, onder welke omstandigheden en voor wie. De volgende stap voor klimaatonderzoek gaat niet per se over het ontwikkelen van nog meer nieuwe oplossingen, maar over het grondiger evalueren van de bestaande.’